1 maart 2007
Het is niet moeilijk om in deze staat weinig schoonheid in ons huis te zien. Nog niet eens zo lang geleden zelfs zou ik het erg lelijk gevonden hebben. Want, wat is dit huis nou eigenlijk nog? Een stelletje op elkaar gemetselde bakstenen, op veel plaatsen natte vlekken, een kozijntje hier en daar, wat dakpannen en een dakgoot, een regenpijp die er niet is. Het is een huis zonder enige sjeu, nog zonder enige aankleding -de kleur van de container spreekt misschien nog meer dan de aanblik van het hele huis bijelkaar.
Toch -ik houd erg van dingen waar je makkelijk op af kunt geven, die je achteloos terzijde kunt schuiven -omdat ze lelijk zijn, onaf of zonder een vleugje schoonheid. Omdat je de schoonheid zelf nog in moet vullen.
Ooit liep ik in de Bijlmer langs een zomers zwemplasje. Langs het water speelde een jongetje van een jaar of vier met een emmertje met zand. Er was niemand bij hem in de buurt; hij speelde alleen. Toen ik langsliep, keek hij op. Ik schrok van zijn veel te grote ogen in zijn veel te kleine, pokdalige gezicht. Vanwege de schrik keek ik iets te lang en zag ik opeens zijn volkomen ontwapenende blik. Ik kreeg een brok in mijn keel en dacht, terwijl ik me omdraaide om iets tegen hem te gaan zeggen: stel toch, stel nou toch dat ik niet ietsje langer gekeken zou hebben ...
Ik moest vandaag aan hem denken toen ik ons huis fotografeerde vanuit de woning aan de overkant.