Kiki
Alles moet even stil staan.
Onze poes Kiki is vanavond doodgereden.
De buren belden aan, rond acht uur, ik was aan het wieden in de tuin, Esther stond bij de voordeur. “Kees”, riep ze opeens, “kun je even komen?” Alsof een veer me omhoog schoot, zo snel stond ik op. Iets in haar stem had me direct geactiveerd.
Een buurvrouw bij de deur die ik niet kende. Eén opmerking en ik wist het: Kiek is dood.
Lieve buurmensen stonden midden op de weg om haar heen, iets verderop in de straat. Daar hadden ze haar gevonden, op de weg zien liggen. Ze was nog warm. Waarschijnlijk aangereden door een auto. Niemand die iets gezien had; niemand die het wist. Van de dader geen spoor.
Een oog lag uit de kas op Kiek’s wang, verder was er niets aan haar te zien. Een rood streepje bloed om haar bekje.
Het is bekend van Noorse boskatten dat ze de intelligentste onder de katten zijn. Ze hebben een bijzondere intelligentie. Een sociale intelligentie die alle wilde dieren (waar Noorse boskatten nog dicht tegenaan leunen, omdat ze als laatste van alle kattenrassen gedomesticeerd zijn) eigen is. Een intelligentie die scherp is en tegelijkertijd gebaseerd is op zachtheid. Op vriendschap. Op echtheid, op puurheid. Op contact.
Omdat ze zo intelligent zijn, zijn het ook geen allemansvrienden. Binnen een gezin zoeken ze hun eigen, speciale maatje.
Bij ons was dat Marijn.
De laatste maanden vaste prik: brachten we Marijn naar bed, dan kwam Kiek als uit het niets zijn slaapkamer in. Terwijl we voorlazen, met zijn drieën naast elkaar op de rand van het bed, vleide zij zich tussen ons in, dicht tegen Marijn aan.
Na het voorlezen, als Marijn ging liggen, zocht Kiek haar plekje naast of op zijn hoofdkussen. Ik heb vaak geroerd gekeken naar die innige vriendschap.
Meestal, later op de avond, als Marijn eenmaal sliep, hoorden we Kiek naar beneden suizen en schoot ze de deur uit naar buiten. Waar ze soms bleef, ondanks laatnachtelijk schudden met brokjes en het maken van karakterestieke geluidjes waar alleen onze katten (Kiki en Zorro) op reageerden - áls ze dat al deden.
Binnen was haar thuis, buiten haar huis.
Gisterenavond gingen we naar bed. Slaaptijd, ook voor Zorro en Kiek. Zorro had ik al in zijn slaapholletje gezet (het halletje bij de voordeur). Kiek was nergens te vinden. Nou ja, dan maar weer een nachtje buiten. Ik heb het er niet zo op, maar tijdens warme(re) zomernachten was het haar en Zorro's gewoonte geworden.
Brokjes en water bij de achterdeur gezet.
Zoals altijd liep ik even langs Marijn, om “Slaap lekker jongen; papa houd van je” te zeggen.
Lag Kiki als een soort pelskraag om Marijn’s hoofd gedraaid. Zo had ik hen nog nooit gezien. Het leek alsof Marijn een soort extra kussen had, waar hij niet óp, maar in lag. Beiden lagen in diepe slaap.
Het was de eerste keer dat ik besloot dat KIek niet naar haar nachthok hoefde. Hier mocht ik niets aan doen. Behalve kijken.
Ik liet de deur op een kier en zette het water en de brokjes in de badkamer.
Van een van de buren kreeg ik een doos, waar Kiki precies in paste. Ik legde haar er voorzichtig in. Een andere buurvrouw gaf een doekje om haar in te wikkelen. ‘Het is maar een oude theedoek hoor.’
Eenmaal binnen met Kiek in de doos, vroeg ik me af of Marijn wellicht iets gehoord zou hebben. Ik liep naar boven zijn kamer in en zag hem snel onder zijn deken kruipen. Ha, dacht ik nog, zo kennen we mijn mannetje: slaaptijd, spelen, 'betrapt' worden en dan verstoppertje spelen onder de dekens.
Zo kennen we alle kinderen. Zo gaat het spel.
Zo hoort het.
Maar ik had het gruwelijk mis.
Nog geen tien minuten later – Esther was nog steeds bij buurvrouw Monique die haar opgevangen had; ik zat voor me uit te staren op de bank; de stille, zachte zomeravond voelde leeg en zinloos – ik hoorde een geluid dat me deze keer niet deed denken aan stout kinderbedtijdgedrag. Ik veerde naar boven. Marijn had de dekens over zijn gezicht getrokken en snikte.
Ik tilde hem uit bed, nam hem op schoot en hield hem dicht tegen me aan. Mijn mannetje was één groot snikken. Hij had de woorden bij de deur gehoord.
Ik zat er met mijn snikkende kereltje; ik liet zijn tranen maar lopen en voor zover ik dacht, dacht ik maar één ding: dit is het dus: de eerste keer in zijn leven dat hij een Intens en Groot Verdriet heeft.Het is het verdriet waarvoor je je kind eeuwig wilt behoeden. Wat je wilt voorkomen, wat je nooit wilt, wat je…, wat je… .
En nu was het er en ik troostte mijn ventje, terwijl de tranen langs mijn wangen rolden.
Een nog groter verdriet was in mij gekomen.
© Kees Bekker, Utrecht, dinsdag 22 juni 2010


