DE LUCHTVLO
Op een zonovergoten, ijskoude zomerdag zwommen de walvis en de watervlo gezamenlijk een stukje op. De walvis was, na een gesprek over de uitzonderlijke lengte van de potvis, stilaan in diepe gedachten verzonken geraakt, maar de watervlo keek vrolijk om zich heen.
‘En geloof maar,’ zei hij plotseling, ‘dat er buíten de zee nog veel meer is!’
De walvis schrok op en ontweek nog net een scherpe punt die uit de onderkant van een enorme ijsberg stak.
‘Pfoeh..., tsja, nou!’ bracht hij uit. ‘Vertel mij wat. Je hebt pinguïns, meeuwen, vogels, en ..., och,’ verzuchtte hij tersluiks door zijn wimpers omhoogkijkend, ‘wat heb je verder zoal niet? De zon heb je, de maan, de sterren, de....’
‘...'t Lijkt mij anders prachtigmooi,’ onderbrak de watervlo, ‘daar in 't heelal. Zou jij nou eens niet in het heelal willen zwemmen?’
De walvis fronsde zijn voorhoofd en liet een klein boertje wegborrelen.
‘Nou?!’ riep de watervlo uit. ‘Duiken in een meteorietenregen, spetteren met de sterren, lekker warm zwemmen rond de zon en dan slapen in de staart van een komeet...!’ Hij maakte een snelle koprol en peddelde toen vliegensvlug in de richting van een zonnestraal die door het water prikte.
‘Ja, ja, ja.’ grinnikte de walvis. ‘Maar kom, ik denk dat we maar weer eens boven moeten gaan kijken.’
Loom gleed hij door het blauwgroene water omhoog. Grijs en groot brak hij even later door het stille oppervlak en spoot een sissend straaltje waterdamp de lucht in.
Het middaglicht weerkaatste scherp tegen de wanden van enkele steil oprijzende ijsbergen en over een rimpelloze golf scheerde een albatros. Hoog in de lucht schreeuwden schor twee meeuwen.
De walvis geeuwde en zakte iets omlaag. ‘Zwemmen in de lucht...,’ mompelde hij binnensmonds, ‘`t is toch een en al onzinnigheid.’ Nauwelijks hoorbaar giechelend sloot hij zijn ogen.
‘Onzínnigheid?!’ hijgde de watervlo die eindelijk het oppervlak bereikt had. ‘Wat bedoel je nou, onzinnigheid?!’ riep hij. ‘Onzichtbaar! zul je bedoelen!!’ Fel plantte hij zijn voelsprieten in zijn zij en spoot een dun straaltje water naar de walvis.
Diens rechteroog schoot open. ‘Wát onzichtbaar?!’ vroeg hij op knorrige toon, onderwijl strak opzij turend in de richting van de watervlo.
Middenin een vlakke golf wiegde deze langzaam heen en weer, keek de walvis van terzijde aan en antwoordde toen fluisterend: 'Een-floep-is-on-zicht-baar...!’
De walvis opende nu ook zijn andere oog. ‘Een floep?’ vroeg hij kribbig. ‘Wat is dat?’
‘Een floep! Toe nou, weet jij niet wat een floep is?’ riep de watervlo. ‘Ga weg! Je weet toch wel wat een floep is?’
‘Een harpoen!’ giste de walvis zo kort mogelijk.
De watervlo schudde zijn kop en slaakte een diepe zucht. ‘Floepen zijn luchtbeesten. Onzichtbaar!’ verklaarde hij zonder omhaal en zwiepte onderwijl wat water langs zijn kieuwen. ‘Er bestaan miljoenen soorten, die allemaal in de lucht leven. Maar de mooiste,’ zei hij dromerig voor zich uit starend, ‘de aller- allermooiste is de luchtvlo!’
De walvis kuchte. Beheerst sloeg hij een keertje met zijn staart, wierp een steelse blik opzij en merkte toen korzelig op: ‘Dan bestaan er dus zeker ook luchtwálvissen...!’
‘Tuuuurlijk!!’ antwoordde de watervlo. ‘Ze zijn zelfs familie van de luchtvlooien!’ Hij zwom tot vlak voor de kop van de walvis en fluisterde: ‘Alleen zijn ze een stuk kleiner...’.
‘Bestáááát niet!!’ onderbrak de walvis prompt en was van plan nog veel meer uit te brengen, maar de watervlo wuifde en riep: ‘Tot ziens!’ Rap draaide hij zich om en met enkele razendsnelle slagen verliet hij het water.
De walvis keek hem na. ‘Een stuk kleiner....! Stel je voor zeg,’ bromde hij zachtjes voor zich uit en staarde plotseling, met ingehouden adem in een strakblauwe, lege lucht.
© Kees Bekker 2010