DE DRIE HEREN EN DE WOLF
Op een bankje in de vroege ochtendzon zaten twee heren. ‘Kijk’, zei een van hen, ‘de zon staat in het oosten, straks heeft-ie z'n hoogste stand in het zuiden en vanmiddag gaat-ie onder in het westen. Maar in het noorden komt-ie nooit!’ De tweede heer streek langs zijn snor en antwoordde: ‘Precies! En daar komt bij: de zon schijnt alleen overdag. 's Nachts nooit!’
Een derde heer passeerde op dat moment. Hij tikte de as van zijn sigaar en zei: ‘Zo is dat heren! En vergeet ook niet: hoe noordelijker men 's winters gaat, hoe minder zon. En dus’, stelde hij tevreden glimlachend vast, ‘hoe minder licht!’ De andere heren ruimden een plaatsje voor hem en concludeerden: ‘Zo is het!’
Even later verscheen er een wolf met felle, gele ogen, bleef voor de heren staan en huilde. De heren op de bank verstarden van schrik en gilden: ‘EEN WOLF!!!’ en vluchtten weg. De eerste haastte zich in de richting van de plaats waar de zon opkomt, naar het oosten. De tweede verdween in zuidelijke richting, waar de dagen en de nachten even lang zijn. De derde heer ten slotte rende naar het westen en toen hij daar was aangekomen, zag hij nog net de zon in zee wegzakken.
De wolf grinnikte en besloot naar het noorden te gaan. Het werd kouder en kouder, maar de wolf had een dichte pels en van de kou geen last. Zo liep hij door, terwijl de nachten langer werden en de zon iedere dag steeds korter boven de zuidelijke horizon uitkwam. Tot, op een dag, de zon er niet meer was. De wolf keek omhoog naar de sterren en besefte dat hij aangekomen was in de streek waar de langste en koudste nachten ter wereld voorkwamen. Ineens verlangde hij naar de zon en herinnerde zich het gesprek van de drie heren. De wolf voelde zich opeens volkomen uitgeput en begreep op hetzelfde moment niet meer waarom hij nu in dit gebied was terechtgekomen. Van vermoeidheid kroop hij achter een grote kei, waar de sneeuw hoog opgeblazen tegenaan lag.
Het werd nog kouder, de sterren schitterden stil. In het oosten bleef het donker en ook in het westen en zuiden was geen spoor van licht te zien. Maar midden in de nacht werd de wolf wakker; er lag een vreemde gloed over de vlakte. Hij richtte zijn kop op tot boven de steen en keek naar het noorden: boven lage heuvels dansten de kleurige tongen van het noorderlicht.
De wolf sprong op, jankte van blijdschap en rende wild over de glinsterende vlakte.
© Kees Bekker 2010