Begin juli waren we in Italië en Zwitserland. We waren op plekken die we al kenden en we kwamen op plekken waarvan we het bestaan niet vermoedden.
Natuurlijk waren we er op vakantie. Ik houd alleen niet zo van het woord vakantie. Alsof de rest van je leven geen vakantie is. Of, tegemoetkomend: of de rest van je leven dat niet zou kunnen zijn.
Moet vaak denken aan een paar zinnetjes die ik ooit eens las op een muurtje bij een zeilschool in Loosdrecht:
Bij Loosdrecht -
Als dit Ierland was
Zou ik anders kijken.
Zo reizend door en verblijvend in die verschillende landen is het niet zo van belang of de plekken waar je komt bekend zijn of niet. Er is overal schoonheid, ook al zie je dat soms pas op de foto's thuis.
Hieronder een uit twaalf foto's bestaande impressie van de paar weken dat we ergens anders waren. Korte teksten begeleiden de reis.
Veel plezier!
De Brienzersee, ten oosten van Interlaken, is groenblauw en ijskoud.
We reden over een smalle, rustige weg langs de zuidelijke oever. Tot een zwemplek té verleidelijk werd: na één duik was ik echter volkomen genezen. Ik vermoed van meer kwalen dan alleen verleiding.
Alpenhoorns zijn de molens van Zwitserland. Waarschijnlijk bestaan er in dit land geen rekken met ansichtskaarten waarop je ze niet zult aantreffen.
Maar misschien zijn er meer overeenkomsten met een molen dan we denken. Een molen wordt anders als je hem ziet draaien: krachtiger, functioneler, minder vlak.
De dame vroeg of Marijn ook eens wilde blazen. Het was WK-voetbaltijd en ik moest aan vuvuzela's denken. Even later blies ze zelf. Het geluid leek een nevel die over het water kwam te hangen.
Het is nog vroeg, ochtend op camping Fontanivas, in Disentis-Mustér, aan de voor-Rijn, een onbetekenend, pril bruisend stroompje nog op deze plek.
Het water op de foto is niet de Rijn, maar wordt er wel door gevoed.
De ochtend is fris en pril, alles is nog mogelijk: je kunt nog naar links, je kunt nog naar rechts. Er valt veel te spelen en al spelend maak je vrienden.
Uiteindelijk waren we er dan: Italia. Op het land van onze vrienden P & C: hun paradijs verborgen langs de Oxentina, een dartele en kraakheldere beek, diep in de uitgestrekte bossen van de Ligurische Alpen. Bossen vol steeneiken en hier en daar een slang. We genoten van de verkoeling die de beek bracht, dronken koffie als het koffietijd was en keken onze ogen uit. Aten buiten onder bomen en maakten pesto.
Maakten soms een foto van geplante bloemen.
Artisjokken die bloeien, zegt de kenner, kun je niet meer eten. Daarentegen: artisjokken die je eet, kunnen niet meer bloeien.
We vonden een strand, ergens tussen Arma di Taggia en het iets meer naar het westen gelegen San Remo -een stad zoals je die alleen maar In Italia kunt vinden: chaotisch en speels, toeters en scooters, mensen die de chaos accepteren en het speelse luidkeels beredeneren. In Italië wordt geleefd, zoals er nergens wordt geleefd.
Behalve tussen twee en vijf. Dan keren zelfs de stranden zich naar binnen. Alleen de parasols blijven zwoel en verleidelijk lonken in een warme, witte wind.
Oud is in italië een relatief begrip. Gebouwen en huizen die bij ons oud zijn, zijn in Italië vervallen. Echt oud ziet er daar vaak fraai en gerestaureerd uit. Toch heeft verval zijn eigen charme. IKEA zou de nevenstaande foto maar wat graag op linnen willen verkopen. 'Gammal', 69,95 euro.
Is verval bij ons synoniem met dood, in Italië lijkt verval het leven juist terug te willen roepen. Op de weg naar het strand, in de buurt van San Remo, stond dit gebouw. Niet ver van de doorgaande kustweg, de Aurelia.
Het Zwitserse kanton Wallis bereik je vanuit Italië via de Simplonpas. Je komt dan in het Rhônedal, rijdt langs een dribbelend Rhônetje en slaat het eerste dal linksaf in. Op een splitsing beheers je je en ga je niet naar Zermatt. Niet naar de Matterhorn dus. Je houdt kranig links aan, richting Saas-Grund. Eenmaal daar wordt de weg langs een helling omhoog getild. Je rijdt door totdat je een parkeergarage nadert. Welkom In Saas-Fee. De auto kan aan de kant, vanaf nu is lopen het devies.
We kenden het fenomeen (autoloze dorpen) van meer plaatsen in de Alpen (berglandvolken zijn altijd erg begaan met hun landschap). Wat we niet kenden was het plaatselijke panorama. We liepen de parkeergarage uit en toen waren ze daar -het woord 'openbaren' is hier beter op zijn plaats: ... en toen openbaarden ze zich, vóór ons, stuk voor stuk, één voor één: Koninklijke bergtoppen en majestueuze gletsjers die ons bijkans de adem ontnamen. Vierduizenders in een hoefijzervorm op rij: Strahlhorn, Allalinhorn, Rimpfischhorn, Alphubel, Täschhorn en de hoogste Helveet: de 4545 meter hoge Dom. Moest ik aan Marijn wel even uitleggen -Utrechters kennen al een Dom ten slotte.
(De hoefijzervorm verder langslopend volgen er na de Dom nog vijf vierduizenders...)
Eerlijk gezegd dacht ik dat dergelijke uitzichten slechts aan de Himalaya voorbehouden waren. Of aan de Alpen in de zeventiende eeuw, tijdens de Kleine IJstijd. Maar het was wat het was: 2010, 15 juli.
We liepen door het dorp, ik keek omhoog en telkens had ik het gevoel dat mijn ogen het vermogen ontbeerden om lang genoeg te kunnen kijken om dat oerlandschap écht te zien.
Nog nooit had ik een gletsjer van dichtbij gezien. Ik, de sneeuw-, de ijs-, de afzien-, de ontbering-, de kou-, de Elfsteden-, de meest pure winterliefhebber op aarde. Staand bij mijn eerste gletsjer, kreeg ik de behoefte om hem te aaien. Misschien wel omdat hij er met zijn olifantshuid zo weerbarstig uitzag in dit genadeloze opwarmingstijdperk.
Esther en Marijn vonden dat ze niet 'het juiste schoeisel' hadden om het klimmetje (vanaf het bergstation) te maken. Had ik beslist ook niet, maar het was niet aan de orde geweest: ik had naast mijn gletsjer gestaan: de Feegletsjer.
Kan een eerste gletsjer een mooiere naam hebben?
Ik keek om me heen. Lucht, rotsblokken, ijs, sneeuw, hier en daar wat behoedzaam sijpelend smeltwater. Overheersende kleur: grijs.
Het hooggebergte.
"Het hooggebergte", zei de juf op de lagere school, "is het rijk van de eeuwige sneeuw."
Ze lachte naar de klas.
De eeuwige sneeuw voelde als een koning die heerste over zijn koninkrijk. Een rechtvaardige vorst, dat wist ik zeker. Een vriendelijke vorst ook; ik stelde me voor dat het Jezus kon zijn. De Jezus die gemeneriken aan het kruis gehangen hadden.
Jezus was er niet, daar hoog in die bergen, tussen de gletsjers. Er was wel lucht en er was stilte, een zachte stilte die mijn aanwezigheid leek op te merken.
Eenmaal in lager gelegen gebied veranderen de tinten. Het ijsgrijs maakt plaats voor kleur: zilverachtig, crême, groen en schaamteloos Italiaans (Liguriaans!) blauw.
Op de foto: Grasrapunzels.
Om in Saas-Fee alleen berghutten -en dan met name oude berghutten- te willen fotograferen moet je moeite doen. Overheersend -maar niet hinderlijk- is de jongere, twintigste-eeuwse bebouwing.
Toch is in de bergen voor iets moeite doen niet erg: je doet niet anders; iedere stap kost moeite. Maar zelden waren stappen zo de moeite waard als de stappen die we zetten in deze tijd, in Ligurië, in de Alpen -ergens anders.











