Sneeuw en strand zijn tamelijk paradoxaal te noemen, zet er een slee bij en het wordt surrealistisch.
Met de Kerst waren we in Bergen -het Noord-Hollandse Bergen wel te verstaan. Er zijn er namelijk nog twee: de oude Hanzestad Bergen in zuid-Noorwegen en de plaats die door Hollanders Bergen op Zoom genoemd wordt, maar die bij de inwoners zelf gewoon bekend staat als Bergen.
We reden aan over de dijk Lelystad - Enkhuizen. Een grijs gevroren en schrikbarend verstild IJsselmeer vergezelde ons. Ondanks de overvloedige sneeuwval in het midden en zuiden van het land oogde het landschap na Enkhuizen angstvallig groen. Maar eenmaal voorbij Alkmaar begon het landschap wederom een meer kerstachtige aanblik te krijgen. En terwijl in het westen een golvende, afgetekende lijn liet zien dat er een ander landschap aan zat te komen, deed het weidegebied waar we op dat moment doorheen reden me opeens realiseren dat feitelijk het hele duin- en bosgebied ten westen en noordwesten van Bergen qua structuur én infrastructuur niets anders is dan een ... Waddeneiland. De ten zuiden en ten oosten van dit duin- en bosgebied en in een ring daaromheen gelegen plaatsen Bergen, Schoorl en Groet ademen zonder uitzondering dezelfde sfeer als de eilandplaatsen West en Midsland (op Terschelling) en Hoorn (op Texel).
We zaten dus op een eiland. Een bewoond maar onbekend eiland.
Op eerste kerstdag hebben we een sleewandeling gemaakt naar zee. Nou is eerste kerstdag geen dag waarop je in natuurgebieden veel mensen tegenkomt. Zelfs niet op een Waddeneiland, gulzig bedekt als het er was met dat dikke en verrukkellijke pak sneeuw. Mooie namen kwamen we tegen: Parnassiavallei, Kerf, 't Groote Ganzenveld en de midden in het bos, in een dalletje gelegen uitspanning De Berenkuil (anno 1967), waar we binnen bij de open haard hete chocomel dronken en bitterballetjes aten.
Het bos was prachtig, de duinen waren weergaloos, de luchten ademloos. Maar het mooiste was het om met Marijn op de slee op het strand te sleeën. Vanaf de duinvoet tot de vloedlijn lag op dat strand voldoende sneeuw om zelfs te kunnen langlaufen. Een korte hagelbui (een snelle, landgerichte oprisping van de enorme bui die, de kustlijn volgend, loerend boven zee bleef hangen) had op het strandgedeelte tussen de vloedlijn en de inmiddels (het was eb) teruggetrokken zee een dun laagje zuiver witte korrels achter gelaten. Ook daar bleek de slee, met Marijn er bovenop, soepel overheen te glijden. En zo sleden we, een moeder en een vader met hun zoon, vlak langs schuimvlokjes die de verste uitlopers van de branding ons die dag voor de voeten bliezen.
© Kees Bekker, Utrecht, december 2010






