Wolken
Het is eind februari, er is geen zon, er lijkt ook geen temperatuur te zijn, maar wolken drijven er genoeg.
Vandaag gewerkt in Hollandsche Rading (over de naam van die plaats is een heel weblog te vullen en dat doe ik vast nog wel eens). Uiterst tevreden fietste ik rond vijf uur tegen het vriendelijk duwende tegenwindje in weer naar huis.
Het verwonderde me, mijn uiterst tevreden-zijn. Niet dat ik nooit uiterst tevreden ben, maar het was er helemaal de dag niet voor. "Een sombere dag" oordeelden eensgezind de weermannen die ik vandaag hoorde.
Die mannen, niet met hun 'kennis van' maar met hun opvattingen over het weer. Je weet soms niet meer waar je naar luistert, naar een weerbericht of een weermening.
Onderwijl genoot ik van de zachte, kalme sfeer die de stratus -lage bewolking, een zonnetje dat net niet doorkomt, net geen motregen, mistig, nevel- met zich meevoerde.
Een pracht van een sombere dag.
Dát verwonderde me dus: die sombermanspraatjes over het weer gecombineerd met mijn uitgelaten, bijna zomerse humeur!
Ik zette nog eens extra aan. Het voelde opeens of die weermannen iets verloren hadden, maar ik niet.
Inmiddels naderde ik het bos Voordaan, bij Groenekan. Het trappen ging bijzonder licht en de bomen zoefzoefden voorbij. Het fietsen deed me denken aan vroeger, op de step: één voetje op de step, met je andere voetje toucheerde je in een bepaald ritme de grond en soms leek het dan net alsof je vloog.
Plotsklaps schoot me het gedicht 'De Wolken' van Martinus Nijhoff te binnen.
Thuis opgezocht.
Behalve dat ik de thematiek van deze klassieker boeiend vind, zit het gedicht ook mooi in elkaar en is het taalgebruik bijzonder. Er zit een bijna Bijbelse zin in: de won'dren werden woord en dreven verder. Daarnaast, de omschrijving van een wolk met 't vreemde ding dat met zijn schaduw langs mijn leven streek: prachtig! Ook de taal die Nijhoff gebruikt om aan te geven dat 'de ik' nog een kind is: 'kleine kleeren' en de 'warme hei', als metafoor voor de geborgenheid die het ervaart bij zijn moeder. En de haastige opsomming van alles wat het kind in de wolken ziet door leestekens te gebruiken: En ik riep: Scandinavië, en: eenden.
Ik hoor een kind dat achter elkaar opratelen, struikelend over zijn woorden.
Kortom: ik kan het honderd keer lezen, maar minder mooi wil het maar niet worden. Nijhoff heeft in een strakke vorm (want het is een echt, klassiek sonnet, qua rijm, ritme en metrum) een waarachtig, puur gevoel verwoord: kinderlijke verwondering.
En het verlies daarvan.
Schoonheid, zegt men, is tijdloos. En vooral ook: losjes, luchtig en soms streng. Maar gelukkig nooit gebonden aan omstandigheden, aan winter of aan sombere dagen.
De Wolken
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.
En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder-
De wond'ren werden woord en dreven verder,
Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.
Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
-Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide-