Wandelvader in Zweden

 

Söderåsens national park - geen mens die het kent. Niemand die er ooit van heeft gehoord.

Het natuurgebied ligt in Zweden's meest zuidelijke provincie, Skåne. Ongeveer 60 kilometer ten noordoosten van Lund. Iets langer, iets breder en iets hoger dan de Utrechtse heuvelrug. Wel in dezelfde windrichting gepositioneerd: noordwest - zuidoost.

Als een langgerekte wolk in de verte boven koren-, koren- en nog eens korenvelden: een plotsklaps oprijzende heuvelrug. Donkergroen -op heldere dagen zelfs vanuit Malmö al te zien: het grootste nog bestaande, aaneengesloten oerbos van noord-Europa - jubelen de folders, en de website: http://www.nationalpark-soderasen.lst.se/ .

Ze jubelen terecht.

 

Op een middag zijn we er gaan wandelen, Marijn en ik. 's Ochtends viel er nog wat vriendelijke zomermiezer, 's middags scheen de zon tussen hoog opgeklopte witte wolken in een schaamteloze, blauwe lucht. Zo nu en dan schoven er wolkenschaduwen over de bosbodem. Die lagen mij niet zo. Beter bevielen mij de zonnevlekken die hen steevast weer verdreven.

De keuze viel uiteindelijk op een deel van de oranje route. Een klein stukje van de dik duizend kilometer lange Skåneleden (het lange afstand wandelpad door Skåne). Een beschaafd trajectje van een kilometer of vijf. Onze eerste gezamenlijke wandeling.

- Over honderd jaar in de hemel laat ik God de foto's zien.

"En dit is dus de eerste wandeling van Marijn en mij in die oneindig lange reeks van enkele honderden, die U zeker allemaal wel kent."

De Heer lijkt niet echt te luisteren. Hij oogt een tikje ongeduldig. "Vertel, vertel op!" roept Hij. "Ik wil alles horen! Maar vertel 't zo, dat het is alsof Ik er Zelf bij was!"

Ik beloof het.

 

“Papa, wanneer gaan we vuur maken?”

In verschillende varianten de meest gestelde vraag aan het begin. Ervaren wandelvader als ik ben, ben ik natuurlijk goed voorbereid: krantenpapier en aansteker standaard in de rugzak. Vaste prik.

 

Afgezet door Esther bij een duidelijk beginpunt op de kaart. De foto gemaakt en wandelen dan maar. Ik achter mijn zoon van vier aan. De hiërarchie was snel bepaald: Marijn was hier de gids. Hondstrouw meldde hij de eerste kilometer iedere oranje boomring of oranje keistip. Soms liep hij naast me en juichte hij turend in verte dat hij er wel drie zag, of vier, achter elkaar, op steeds grotere afstand. Of hij wees me paddestoelen langs het pad. Op andere momenten liep hij verder voor me uit, in het volste vertrouwen dat hem in dit bos niets gebeuren kon.

Ik heb het hele traject met gerust hart aan hem overgelaten. De enige reden dat ik zonder dat hij er ook maar enige weet van had toch telkens verder keek dan hij, was om potentiële ‘punten van gevaar’ vroegtijdig te kunnen lokaliseren.

Welke vader of moeder zou dat niet doen?

Alleen op het eind, toen er een vrij scherpe, honderd meter diepe afdaling naar de Huvudentré van het Nationale Park volgde, gingen we stevig hand in hand.

 

We liepen in een oerbos. Europese oerbossen zijn mooier dan Amerikaanse of Aziatische. Ze zijn vertrouwder; ik voel me er warm en geborgen. Ze zijn licht. Speels en vrolijk.

We liepen, Marijn rende en ik spiedde om me heen of ik de beek al zag.

In Zweden mag dat: fikkie steken.

Vuur.

Het vanzelfsprekend hoogtepunt tijdens iedere wandeling van vader en zoon: samen een goed plekje zoeken (liefst een holletje in de grond en wat modder in de buurt om het later netjes weer te kunnen doven), de krant in repen scheuren en proppen maken. Twijgjes, takjes, takken zoeken. Het spulletje breken, dan aansteken en terwijl het vuur opgloeit je zoon rustig in de beek, met het water, met de keien, met het mos laten spelen.

- Met het leven laten spelen.

 

De beek kwam vrij snel. De vuurplek, gauw gevonden. Marijn uitgelegd wat echt droog brandhout is (‘het moet 'krak',  'knak' of 'knek' zeggen bij het breken en als je het dan tegen je lippen houdt, moet het echt kurkdroog aanvoelen.’)

Het vuur brandde. Ik wapperde het hogerop en spietste stukjes brood aan het uiteinde van een tak. Het feest compleet. Het kostte overigens enige moeite om Marijn van het water weer terug bij het vuur te krijgen. Deed me goed.

 

Na het vuur, inmiddels verder lopend door het bos dat als een deken om ons heen lag, zoemde het door mijn hoofd: het is echt waar! Je loopt hier, nu, met je mannetje. Met je ZOON!’

En terwijl ik de klanken van die woordjes ‘je ZOON’ proefde, en me verbaasde, verbijsterde, verwonderde, verwonderde mij het meest nog dat ik nooit in mijn vroegere leven aan ‘een kind hebben’ gedacht had en het (hem? Marijn?!) toen evenmin miste. Maar dat ik toen wel wandelde!

Wat deed ik dan tijdens al die tochten? Waar dacht ik dan eigenlijk al die tijd aan? Hoopte ik wel wat?

Vader zijn, een ‘kind hebben’, een dochter of een zoon, dat stelde ik me toen nooit voor.

Even onvoorstelbaar en van een even ongelofelijke schoonheid en onmeetbare goedheid kwam het me daar al wandelend en kijkend voor te weten dat Marijn er is. Er ‘gewoon’ is, en dat hij mijn zoon is.

Even onvoorstelbaar als de gedachteflits dat hij er niet zou zijn.

 

-"Ja", verzucht God dan met een glimlach, over tweehonderd jaar, als ik eindelijk klaar ben met vertellen, "daar was Ik heel erg bij!"

 

 

Zie ook: http://www.zweden.com / http://www.skane.com

 

 

© Kees Bekker, Ljungbyhed, Zweden, woensdag 27 augustus 2008