maandag 28 mei 2007,
Dit laatste stukje voor onze 'echte' verhuizing op 2 juni aanstaande, gaat over Dordrecht - de stad waar ik na 46 jaar in Utrecht gewoond te hebben, in de zomer van 2001 met mijn geliefde plotsklaps binnenviel. Als uit het niets -in het niets... .
In de jaren voor die tijd was ik er twee keer eerder geweest, beide keren min of meer bij toeval. Het was duidelijk: Dordrecht was een kwalijk verlengstuk van het desolate industriegebied rondom Rotterdam en derhalve niets minder dan een oord waar ik daarvoor terecht nooit iets te zoeken had.
In de zes jaar dat ik er woonde, is niets minder waar gebleken.
woensdag 30 mei 2007,
Het hardst zou ik toentertijd, in mijn vooroordelige onwetendheid, gelachen hebben als men mij verteld had dat Dordrecht de groenste stad (of in ieder geval: een van de groenste steden) van Nederland is. 'De bruinste' of 'de zwartste' zou ik ongetwijfeld geschamperd hebben.
Dat bomenrijen, parken en buitenplaatsen in Dordt zich aaneen rijgen en zich als een groen lint door en om de stad heen slingeren, is voor de meeste mensen onbekend. Bekender is de uitspraak die door vijftiende en zestiende eeuwse handelsreizigers in de wereld gebracht schijnt te zijn: 'Hoe dichter bij Dordt, hoe rotter het wordt.' Als echte eilanders keren Dordtenaren -zoals ik- bij het horen van die uitspraak altijd enigzins in zichzelf. Maar de handelsreizigers in die oude tijden wisten wel waar ze het over hadden, want na de allesverwoestende St. Elisabethsvloed van 1421 verloor de stad het grootste deel van haar (droge) achterland en kwam op een eiland te liggen. Over land kon de stad toen niet meer bereikt worden.
In 1220 verleende graaf Willem 1 de stad haar rechten. Dat Dordrecht hierdoor de oudste stad van (het voormalige graafschap) Holland is, is een aardigheidje om te weten. Leuker is het feit dat de sfeer van die dertiende- en veertiende eeuwse hoogtijdagen in het grootste deel van het centrum nog bijna tastbaar aanwezig is. In zekere zin heeft het uitblijven van een toeristische 'boom' en de commerciële inactiviteit van de afgelopen twee, drie eeuwen ervoor gezorgd dat op veel plaatsen nog steeds een sfeer van verstilling 'levend' aanwezig is.
De laatste tien jaar is een opmerkelijk actief gemeentebestuur (onder leiding van de geliefde en alom gerespecteerde burgemeester Bandell) er derhalve in geslaagd de stad meer dan in tientallen jaren daarvoor te laten bruisen. Zonder dat de oude, historische binnenstad daardoor overigens aan rust heeft ingeboet. Op veel momenten en op veel plaatsen 'hangt' nog steeds de verstilde sfeer van eeuwen daarvoor. Verstild en toch niet doods. Inderdaad: een 'levende verstilling', zodat de stad zichzelf nog steeds herkent.
Nooit gedacht, zes jaar geleden, dat zowaar een stad, dat Dordrecht mij mijzelf beter zou laten leren kennen... .
En toch gebeurd.

Burgemeester Bandell van Dordrecht.
Zaterdag, 2 juni 2007,
Zaterdag is het dus. Zaterdag 2 juni, de dag waar gedurende de laatste anderhalf jaar ons hele woongebeuren op gespitst is geweest: de dag van onze verhuizing van Dordrecht naar Utrecht. Een paradigmaverschil: tot op vandaag gingen we ‘naar het nieuwe huis’ en was Dordrecht zonder dat daar ook maar over gesproken hoefde te worden gewoon ‘thuis’ of 'naar huis'; vanaf morgen is het andersom: het nieuwe huis is ons thuis en een nieuw 'oude huis' ligt in Dordrecht, 60 kilometer zuidwestelijker, in die stad daar ergens onder Rotterdam, waar veel van mijn leerlingen uit de eerste twee klassen nog nooit van gehoord hebben. “Dordrecht? Ligt dat in Nederland?” “Ja hoor, vlakbij Antwerpen”, antwoord ik dan altijd net zo vrolijk.
Het is avond, donker en ik zit in de keuken van nog steeds ons huis te werken aan dit laatste getypte stukje vanuit deze rare eilandstad, die erin geslaagd is mijn hart te betoveren.
De kamers zijn leeg, maar in de keuken hebben we nog licht en heerlijke hete thee. En een koekje erbij. De bovenkeukendeur staat open; zo nu en dan voert een nachtwind vlagen welkome koelte aan. Hier en daar prikt een flauw sterretje. De maan is op, maar voor mij nog niet: ze zit nog onder de dakenhorizon van de achter ons gelegen huizen, ook aan de Vijverlaan. Nog even en ze zal vol aan de nachtelijke, Dordtse hemel prijken.
Zorro, de kat, slaapt naast me op de deurmat, een van onze schaarse eigendommen die hier nog aanwezig zijn (en zullen blijven).
Esther slaapt ook, Marijn naast haar.
Het is stil. Zoals dat hoort in de laatste nacht in een geliefd oord; dan moet het stil zijn. De herrie, de drukte, de hectiek, alles komt wel weer; ik hoef niets te doen: zonder de minste moeite zal het leven binnenkort weer verder racen en is ‘even stilstaan’ weer speciaal, iets voor de vierde dag van mei en niet iets voor de tweede dag van juni.
En, wat doet het met je als je komt te wonen in een stad waar je je ronduit unheimisch voelt en je kunt er niet (snel genoeg) weg?
En wat doet het met je als je jaren later toch weg kan uit die stad -waar je je inmiddels uiterst geborgen voelt, waar je je goed voelt -waar je huilde, lachte, floot en zong. Boos was. Chagrijnig soms. Waar je plaatsen, plekken, pleinen, hoekjes kent, parken, buitenplaatsen en gebouwen, kerken, kroegen, winkels, mensen, bomenlanen, koeien, weilanden en dijken, brede rivieren. Wat als je daar sloten kent, die niemand kent, waar altijd karpers zwemmen, waar je in de wintersneeuw gelopen hebt en als een kind met je hak het ijs op dikte hebt getest.
Waar je herinneringen hebt aan de geboorte en de jongste jaren van je zoon. Waar je herinneringen bewaard, beelden, geuren, die hij zichzelf nog niet herinneren kan.
Wat doet het met je als je weggaat uit een stad die je haatte, maar die een goede vriend geworden is? Die je goede vriend wilde worden en daar dwars tegen alle verstandelijke logica in in slaagde?
-omdat jij jij was.
Wat doet dat?
Wat doet liefde als het weggejaagd wordt, maar later, op het zelfde feest de eregast mag zijn?
Ze gaat mee, ergens anders heen, om een nog groter feest te helpen organiseren!
In Leidsche Rijn, in Utrecht.
Dordrecht, 3 juni 2007, 00.55 uur.