Nooit meer donker
Wonen in een Vinexwijk is het aanvaarden van een continu proces van verandering.
Tot voor een week of vier geleden, net voor het moment dat de laatste huizen in ons hoekje opgeleverd werden, gonsde het overdag van de bouw(vakkers)activiteiten en staarden we ’s avonds, vanuit onze door enkel waxinelichtjes zwak verlichte tuin, in het stille zwart.
De laatste weken echter is er sprake van een zekere vorm van omdraaiing: overdag heerst er stilte - een afwachtende stilte, een stilte waarin ik een enorme hond ruik, die aan de ketting in zijn hok ligt en bijtend op een kluif rustig ligt te wachten tot de eerste argeloze bezoeker verschijnt. Om dan direct te laten weten dat hij er is.
Want, als door een geheimzinnige roep aangelokt, verschijnen er, ’s middags tussen half zes en zes uur op de parkeerplaats, massa’s auto’s -al dan niet met aanhanger- gevolgd door snel uitstappende, kinderlijk enthousiaste klussers die niet weten hoe snel ze met hun gereedschappen in hun huizen moeten komen om de stilte in onze Vinexhoek te herscheppen in een kakofonie van geboor, getik, geslijp, getril, gehamer en, gelukkig, gelach. Een soort oerwoud inderdaad, met vanuit de meest onverwachte plaatsen het geroep, getetter en getier van de meest onbekende vogels.
Zo valt er goed te leven met geluid.
Maar rond half elf, ook weer als bij toverslag, is iedereen weer verdwenen en is ons Vinexhoekje weer zoals we het tot nu toe hebben leren kennen: zwart en stil en, vooralsnog, voor ons alleen.
Maar zoals ik al zei: ‘Wonen in een Vinexwijk is het aanvaarden van een continu proces van verandering’. Dat ‘aanvaarden’ is niet toevallig zo gekozen. Nog geen week geleden zou ik in plaats van ‘aanvaarden’ wellicht nog ‘ondergaan’ geschreven hebben. Wat ook niet geheel onjuist geweest zou zijn.
Het verschil in beleving tussen beide werkwoorden werd me duidelijk, deze week, toen de lantaarnpaal die pal naast onze tuin op de parkeerplaats staat, op het lichtnet aangesloten bleek te zijn: op een avond was het zwart verdwenen en werden we geconfronteerd met een fenomeen dat in milieukringen beter bekend staat als lichtvervuiling. Toen op genoemde avond deze week de schemer inviel, was de lantaarnpaal al aan; heel sneaky, waardoor ik vooreerst niets opmerkte. Opmerken deed ik het pas toen het donker werd, buiten onze tuin.
In onze tuin zal het nooit meer donker zijn, realiseerde ik me die eerste avond dat de lantaarnpaal brandde en onze gezellige zwartheid - altijd zacht verlicht door een enkel prikkend artilampje of wat waxinelichtjes - voorgoed verleden tijd bleek te zijn. Een woede welde op: wie of wat waagde het mijn geliefde duisternis te verbreken, te doorklieven, te saboteren? Ik overwoog tegensabotage, een terreuractie, zo je wilt als goed ingelichte 2007-er. Die rottige lamp (dat ellendige tl-balkje?) zou ik er wel eens uitdraaien, desnoods zou ik hem met een kei kapot gooien. In het uiterste geval, zo doorschoot me, zou ik de toevoerende stroomdraden naar die lantaarnpaal in het holst van de nacht doorknippen en daarna de bestrating, met mijn vooraf in onschuld gewassen handen, rimpelloos herleggen.
Maar gelukkig ben ik groter dan mijn eerste opwellingen, soms. De tweede avond nam ik het besluit de lantaarnpaal en zijn eeuwige licht gewoon maar te aanvaarden. En gek, maar sinds die tijd verheug ik me iedere avond op dat zachte licht van boven, en lach ik, zonder kiespijn.
Voorspoed!
Esther en Kees
woensdag, 27 juni 2007,
Foto's, deze keer, van onze Bongerd, de deelwijk in Het Zand waarin ons huis gelegen is. Een impressie van het gebied binnen een straal van zo'n vijfhonderd meter, vanaf ons huis gerekend. En omhoog gerekend. Vanuit 'de ballon'. Was even slikken, maar vanaf die hoogte heb ik toch mooi een aantal fraaie plaatjes kunnen schieten.
Let ook op de fraaie wolkenluchten die die fotoavond gezellig kwamen buurten.





