Terug

7 april 2007

 

Oplevering  26 april, 08.00 uur

 

Nog even en ons nieuwe huis is gewoon ons huis,in een gewone nieuwbouwwijk.

Maar nu nog even niet.

 

Verhuizen naar een nieuwbouwwoning is in bepaalde opzichten bijzonderder dan verhuizen naar een bestaand huis. Het belangrijkste verschil, wat mij betreft, is natuurlijk het feit dat we ons nieuwe huis bijna letterlijk van de grond af hebben zien opbouwen.

Van onder de grond af zelfs als je de heipalen meerekent.

Een ander verschil ligt in het feit dat ik de plek waar ons huis staat langer ken dan als 'bouwplaats'.

  

Ik ben geboren in hartje Utrecht en opgegroeid in Zuilen. Toen ik een jaar of elf was, begon ik me af te vragen hoe de plek, waar ik toentertijd al bijna tien jaar woonde, eruit gezien had vóór er huizen stonden. In de jaren daarna kwam ik er achter dat er koeienweilanden en sloten hadden gelegen. Ik vond dat bijna onvoorstelbaar, want dat zou betekenen dat dezelfde sloten en weilanden waar mijn vrienden en ik zo graag kwamen (om te vissen, om te schaatsen, om doorheen te fietsen naar meisjes toe), ook zomaar gemetamorfoseerd konden worden in huizenplekken waar je, dat wisten we zeker, weinig anders had te doen dan dood te gaan -in plaats van het volle leven te leven, zoals wij dat deden, in de weilanden buiten Utrecht.

Buiten Utrecht - eerst in en later rond Overvecht. En toen dat gebied eenmaal geheel bebouwd was, verlegden we onze natuurlijke grenzen in de richting van Maarseveen. Dat bleef daarna ook, jarenlang, ons territorium.

 

Heel soms kwamen we aan de overkant van wat wij noemden: de ‘Douwe Egberts-brug’. Over die brug en hop, daar waren ze: de weilanden. Of beter, meer uitgaand van de realiteit van toen: daar waren we!

Weilanden dus, hier en daar doortrokken door een enkel kassencomplexje of een groentetuin. Veel water, sloten, vaarten en vooral heel veel plekken waar je vrijen kon. Niet dat we daar toen al zoveel van wisten, integendeel, maar we kenden wel alle plekken waar het kon! Het kon, droomfantaseerden we, heel soms al.

 

Op een dag kwamen we op de Westlandse tuin. Vreemde naam vonden we, hoewel het wel iets weg had van hoe wij dachten dat het Westland, onder Den Haag, eruit moest zien: net iets té gecultiveerd. Maar hier was ruimte te over nog voor avontuur en spanning. Vreemder echter was: de weg liep dood. In heel die streek liep niet een weg dood, maar deze wel. Raar! Doodlopende straten had je in de stad en niet midden in een weilandgebied.

Dus stonden we daar, jongens van dertien, veertien jaar, aan het eind van die doodlopende Westlandse tuin, op een warme zomerdag. We hingen zwijgend over onze fietssturen, de lucht boven het groen trilde, meisjes gonsden door onze hoofden en we keken naar de kerktoren van De Meern.

 

 

Dat was in 1968.

Eeuwen geleden inmiddels.

Onveranderd is dat jongens van dertien, veertien aan meisjes denken (nog zacht uitgedrukt, me dunkt) en vaak niet zo gelukkig zijn. Daarom was het toen ook niet zo’n gelukkige tijd, die eerste keer dat ik op de Westlandse tuin stond, midden in dat door ons geadoreerde, groene niets.

Wel erg veranderd is het feit dat de weilanden verdwenen zijn en ik, zonder hen en op dezelfde plaats, gelukkig ben.

 

Raar, maar gelukkig.

 

Net niet zwart-wit
Net niet zwart-wit
Al een echte straat ...
Al een echte straat ...
Straat in aanleg
Straat in aanleg
Huizen tegenover ons huis
Huizen tegenover ons huis
Stoeprand, voetpad, tuin
Stoeprand, voetpad, tuin
Pas (op) geverfd!
Pas (op) geverfd!
Er moet nog wat gebeuren ...
Er moet nog wat gebeuren ...
Parkeerplaats is gereed
Parkeerplaats is gereed
Herstel bestrating
Herstel bestrating