Badelucco met apekarrenbrug
Een archetypische apekar
In de apekar
Marijn bij goed gevulde apekar

De Sleutel

 

Lukraak, her en der verspreid, staan er een tiental: apekarren.

We staan op de parkeerplaats, Marijn, mijn zoon en ik en kijken uit op het aan de overzijde van de rivier, tussen grijsgroene olijfgaarden aan de berghelling vastgekleefde dorp Badelucco.

 

Apekarren zijn driewielige voertuigen, bestaande uit een kleine cabine en een in verhouding ruime, open laadbak, die net zo bij Italië passen als olijfbomen en de scooters langs de kust van het gebied waar we ook dit jaar weer te gast zijn: Liguria.

Ze zijn er in soorten: ape-achtigekarren. Maar de enige kar die de naam apekar mag dragen, is het type met pontificaal op de voorzijde het woord ape, soms met een cijfertoevoeging. Op de achterzijde van deze Enige Echte, over de hele breedte van de laadbak, staat duidelijk het merk: Piaggio.

Alle andere voertuigen -hoe identiek ze ook lijken te zijn- zijn slechts ordinaire karren.

 

Wandelend over de parkeerplaats, van de auto naar het dorp, onderwerpen we de geparkeerde karren aan een keuring. Na een uitsluitende kwalificatieronde (staat het woord ape op de voorkant? Piaggio op de achterzijde? ), waarbij enkele karren direct afvallen, zijn de regels helder. De laadbak van een apekar, bijvoorbeeld, dient gevuld te zijn met allerhande troep: een stel losse, afgedragen schoenen in een olieachtig plasje water, een pak aan elkaar geplakte kranten uit een vorig decennium naast wat roestig gereedschap, een vuile doek vol overjarig smeer; pallets, meubelstukken, andere liefst ondefinieerbare gebruiksvoorwerpen en bij het optillen daarvan groepjes wegschietende pissenbedden -dit alles is toegestaan, sterker: is vereist! Een lege laadbak is verboden, een overvolle laadbak daarentegen is een esthetische schande die met name geldt voor de geparkeerde apekar. Voor een rijdende apekar zijn we milder.

We overtuigen ons van het feit dat wat dit onderdeel betreft op één na (overvolle laadbak!) alle geselecteerde apekarren aan de eisen voldoen en keuren verder.

Van groot belang voor een hoge score is verder de zichtbare aanwezigheid, aan de apekar, van lichte schade: krassen, deuken, butsen of anderszins in de loop der tijd ontstane en verder met de apekar mee-geëvolueerde gebruiksplekken. Een apekar moet kunnen rijden, dat staat voorop, maar een defecte, half openstaande deur, een sliertje roestbobbels op de lak, een achterwiel dat schuin staat op zijn as of een ster in een hoek van de voorruit zijn allemaal pré’s. Een kar zonder genoemde faciliteiten is weliswaar een voertuig, en misschien nog wel een kar, maar geen apekar. Zelfs niet als het aan de vereiste kleurstelling -grijsblauw of wit- voldoet.

We zijn niet mals, mijn zoon en ik, dat beseffen we terdege. Maar tot zover op de parkeerplaats van Badelucco weinig problemen: hoewel de een beter dan de ander, voldoet een zestal karren ruimschoots aan alle gestelde voorwaarden. Deze karren krijgen van ons de kwalificatie: ware apekar.

 

Ook voor (ape)karren ‘op de weg’ gelden heldere, doch strenge regels. Gezeten vanachter een cappuccino en een ijsthee op een bankje in de dorpsstraat, houden we het verkeer scherp in de gaten, ondertussen iedere passerende kar nauwkeurig inschattend op zijn zuivere apekargehalte. Ook nu spreken de regels weer voor zich: achter het stuur van de rijdende apekar behoort standaard een enigszins gezet, liefst besnord (Italiaans) mannetje te zitten. Type Malle Pietje -met álle respect: kleine, kranige en enigszins knorrige (maar, als het er op aan komt, altijd uiterst vriendelijke!) mannetjes, waarvan er god zij dank in dat deel van Italië waar wij graag komen, nog veel leven. Verder is de combinatie ‘vrouw & apekar’ volstrekt niet toegestaan, tenzij aanwezig in de bak. Nodeloos om te vermelden dat er achter het stuur van de apekar ook voor jongeren geen plaats is. Als er één type mens is dat volstrekt niet harmionieert met het laissez-faire van ons geliefde voertuig, dan is het wel De Jongere.

Komen we als vanzelf bij het laatste, wellicht strengste keuringsonderdeel: de snelheid, beter gezegd: de traagheid. Een ware apekar rijdt nooit harder dan twintig, hóóguit dertig kilometer. We hebben ze gezien, mijn zoon en ik, karren met het heilge woord ape erop die voorbij raasden met de snelheid van het racecircuit. Sommige zelfs met twee voorwielen, een jongeman van nog geen twintig achter het stuur en (natuurlijk!) een overvolle bak. Glanzende, gezonde karren, kant en klaar uit de showroom, wat ons betreft in één rechte lijn op weg naar het karrenkerkhof.

Geen blik gunden we ze waardig.

 

Na de ijsthee en de cappuccino slenteren we in de witte middaghitte terug naar de parkeerplaats. De auto en de verkoeling van de zee lonken. Op de brug kijken we een tijdje naar de forellen die met korte onderbrekingen in het water onder ons blinken. De apekarren zinderen in de zon.

We lopen verder, tot, ergens midden op de parkeerplaats tussen het losse grind en het brokkelige, gescheurde asfalt in, mijn zoon hem vindt: de sleutel. In mijn domme naïveteit denk ik even nog met een huissleutel van doen te hebben, maar mijn zoon behoedt me voor een ernstige dwaling: “Papa", roept hij enthousiast, "het is een apekarrensleutel!” Van welke doet terstond niets ter zake -we proberen het niet eens- want hij weet het zeker: het is een apekarrensleutel, een sleutel die, volgens mijn zoon, toegang geeft tot iedere apekar. Een sleutel ook die toegang geeft tot een geheim dat nooit geopend hoeft te worden.

Zijn blik glijdt over de apekarren, en liefdevol over de sleutel in zijn open hand. Voorzichtig daarna, een uiterste behoedzaamheid in acht nemend, laat hij hem in zijn zak glijden.

 

Tijd om naar de zee te gaan.

 

 

© Kees Bekker, Utrecht, augustus 2011 

De apekarrensleutel